FRAGMENT UIT MENEER SADEK EN DE ANDEREN

"...Mijn vader belt je nooit twee keer vanaf dezelfde plek. Zelfs niet als hij in het ziekenhuis ligt. Eerst belde hij vanaf de receptie op de derde verdieping.
‘Je moet me komen ophalen!’ zei hij beslist. ‘Nu meteen!’
Ik stond in de keuken. Oom Ruz en tante hadden besloten een paar dagen langer te blijven en waren het avondeten aan het voorbereiden. Nini was met vriendinnen naar Amsterdam en zou niet terugkomen dat weekend.
Ik voelde me ongemakkelijk als ik waar iedereen bij was met mijn vader praatte. Ze hadden hem allemaal al lang veroordeeld. Ik keerde me naar de boekenkast en speelde met het snoertje van de telefoon.
‘Wat is er dan?’ vroeg ik. Ik had hem niet gebeld of bezocht, terwijl hij al een week in het ziekenhuis lag.
‘Wat er is?’ vroeg hij vol verbazing. Alsof hij eerst de tijd tot stilstand moest brengen om mij op de hoogte te brengen van de stand van zaken.
‘Ik lig tussen oma’s die de hele tijd winden laten. Ik houd met handen en voeten de gordijnen rond mijn bed dicht, zodat ze niet tegen me praten. Toch praten ze tegen me! De hele dag door! Je tante heeft gelijk, er is een hel! Vertel haar maar dat ik hem heb gevonden! Als ik de verpleegster om een maaltijd vraag, wat denk je dan dat ik krijg? Pap met appelmoes! Vanochtend gooide ik de pap van tafel. Ik liet haar mijn tanden zien. “Geef mij vlees!” zei ik tegen haar. Komt ze even later terug met een kom soep. Het smaakte niet eens naar soep. Het smaakte naar pis! Koude laboratoriumpis!’
Heel even zei hij niets, toen ging hij op een gekrenkte toon verder: ‘Maar wat ik nog het ergste vind’, hij liet een pauze vallen, ‘wat ik onvergefelijk vind’, weer liet hij een pauze vallen, ‘is dat mijn eigen zoon me niet komt opzoeken terwijl ik hier op sterven lig!’ Ik had de avond ervoor nog gebeld en aan de verpleegster gevraagd hoe het met hem ging. Ze had me vriendelijk geantwoord dat ik me nergens zorgen over hoefde te maken. Het herstel ging prima, hij moest alleen een paar dagen rusten.
‘Je mag nog niet weg. Je moet uitrusten. Morgen kom ik je opzoeken.’
‘Niks daarvan! Je neemt de sleutel van de haak, pakt de auto van je moeder en haalt mij nu op!’
Toen ik twaalf werd had hij me leren autorijden op de parkeerplaats voor onze flat. ‘Voor het geval je mij of je moeder naar het ziekenhuis moet brengen, begrijp je, voor noodgevallen,’ had hij gezegd. Ik had me naar de kast gekeerd, met mijn rug naar de woonkamer, zodat mam me niet kon horen. Ze deed alsof ze druk bezig was de weersvoorspelling te volgen op teletekst, maar ik wist dat ze meeluisterde.
‘Dat mag toch nooit!’ fluisterde ik in de telefoon.
‘Wat heb ik je gezegd?’ vroeg hij streng. ‘Je moet nooit luisteren naar je moeder. Ik wacht op je bij de ingang van de eerste hulp!’
‘Hoe...’ Hij had al opgehangen..."

Fragment uit "Meneer Sadek en de Anderen" op Athenaeum Nacht